Spits: Bloedbaden en bronzen paarden

De Olympische Spelen zitten niet altijd vol nagelbijtende momenten. Denk aan slaapverwekkende sporten als curlen, schermen en snelwandelen. Maar vroeger stonden er nog wel vreemdere sporten op het programma.
Bij de eerste Olympische Spelen rond 1900 was zwemmen nog iets exotisch. Water was gevaarlijk en zwemmen zeker niet iets dat je voor de lol deed. De spelen zaten toen dan ook vol onderdelen die ons nogal maf voorkomen. Zoals het onderdeel ’zo lang mogelijk je adem inhouden’. De deelnemers doken het water in en wie (zonder te bewegen) het verst kwam onder water, won. Dat het misschien toch niet zo spannend was, realiseerde het olympisch comité zich misschien ook, want na 1904 werd het geschrapt. Veel animo was er ook niet voor: alleen de New York Athletic Club deed mee, die dus ook alle medailles won.
In ieder geval wel leuk om te zien was de 200 meter hindernis. Deze nogal ongewone sport werd maar één keer gehouden, in 1900. Het was een combinatie van zwemmen en een hindernisrace, waarbij de deelnemers eerst over een paal en een rij boten moesten klimmen, en daarna onder een andere rij boten doorzwemmen. Dit gebeurde allemaal in de rivier de Seine, dus ze moesten ook nog rekening houden met de stroming. Winnaar Frederick Lane (Australië) was slim genoeg om te beseffen dat het achtersteven de beste plek is om in een boot te komen. Lane won ook de 200 meter freestyle, en kreeg daarvoor (in plaats van een gouden medaille als prijs) om de een of andere reden een 25 kilo zwaar bronzen paard.
In 1912 werd er ook al zo’n spannend zwemonderdeel geïntroduceerd: duiken van de hoge plank. Geen acrobatische toeren, gewoon naar beneden duiken. Voor de Spelen van 1928 werd het samengevoegd met het onderdeel schoonspringen. Pas tegen die tijd waren deelnemers het gaan durven, salto’s te maken.
Solo synchroonzwemmen was tussen 1984 en 1992 een vast onderdeel van de spelen. De enige deelnemer moest op de maat zwemmen met muziek. Inmiddels worden alleen de variant met twee en acht personen nog gehouden. Na drie Olympische Spelen kwamen de organisatoren er namelijk achter dat één deelnemer helemaal niet synchroon kan zwemmen: daar heb minstens een tweede deelnemer voor nodig.
Gentlemen
Tot ver in de negentiende eeuw was het gebruikelijk ruzies beschaafd werden afgehandeld: door een duel met pistolen. Met de rug tegen elkaar, tien passen nemen, omdraaien en schieten. Dat duelleren dus een olympisch onderdeel werd, was niet meer dan normaal. Het werd twee keer gehouden: in 1906 en 1912. De deelnemers moesten het opnemen tegen een pop in een lange jas, met een schietschijf op zijn borst geverfd.
Ook al zo’n gentlemens sport was het duivenschieten. En dan niet met kleiduiven, maar échte levende. Het doel bij dit onderdeel in 1900 was om zoveel mogelijk levende duiven af te knallen, de eerste en enige keer in de geschiedenis van de spelen dat er opzettelijk dieren werden gedood. Het werd een compleet bloedbad, met een berg dode en stervende vogels op de grond en overal bloed en veren. Bijelkaar legden bijna driehonderd duiven het loodje. De prijs was 20.000 frank, maar de vier finalisten besloten het bedrag te delen. Heel sportief van ze.
Dierenwelzijn stond ook bij het onderdeel hoogspringen voor paarden niet echt voorop. Tijdens de spelen van 1900 namen achttien ruiters en paarden er aan deel. De eerste prijs werd gedeeld door twee viervoeters die erin waren geslaagd twee meter hoog te springen. Het onderdeel was destijds niet zo heel vergezocht. In de negentiende eeuw waren rijke Engelse landheren namelijk vaak onderweg, om de afheiningen rond hun uitgestrekte landgoederen te controleren. Een ander onderdeel was het verspringen voor paarden. Winnaar Constant van Langendonck haalde met Extra Dry de 6 meter 10.
In tegenstelling tot de moderne versie mocht je bij het hoogspringen vanuit staande positie van 1900 tot en met 1912 geen aanloop nemen. De deelnemer stond met twee voeten tegen elkaar en sprong dan over de lat. Kampioen Ray Ewry won het onderdeel in 1900, 1904, 1906 en 1908 en haalde het wereldrecord met 1.65 m. Indrukwekkend, omdat Ray tijdens zijn jeugd in een rolstoel zat, gedeeltelijk verlamd door polio.
Bij de Olympische Spelen in het oude Griekenland was het een vast onderdeel: touwtrekken. Tot 1920 was het een populaire teamsport, echt iets voor rouwdouwers. Vaak wonnen er teams uit Scandinavië, of werd er een blik stoere Britse politieagenten opengetrokken. Ook Nederland haalde één keer zilver.

Reageer